Uitgangspunten

Balans en harmonie door innerlijke afstemming tussen motorische uitvoering,motorische planning en motorische competentiebeleving zorgen voor een stabiele en gefundeerde ontwikkeling van het kind!

De kinderfysiotherapie richt zich met name op het bewegend functioneren van het kind in zijn leefomgeving en streeft er naar een opbouwende bijdrage te leveren aan een zo optimaal mogelijke participatie op de kinderleeftijd, als basis voor het uiteindelijk functioneren als volwassene. Tijdens motorische oefeningen wordt het kind zich bewust van de dynamiek, de spirit en het enthousiasme die bij hem horen en helpt hem te begrijpen wat er allemaal speelt in zijn (dis-) functioneren. Door dit bewust worden, ontdekt het kind waarom het doet zoals het doet.

Het kind leert onder ogen te zien dat zijn ervaringen niet al perfect en af moeten zijn maar groeiend zijn door al doende via fouten te leren. Het leert hierin voldoening te vinden.

In de doe-leerfase leert het kind vooral zichzelf te zien en te aanvaarden zonder oordelen, goed of slecht, mooi of lelijk. Het leert zijn bewegingservaringen onbevangen waar te nemen en verantwoordelijkheid te nemen voor de eerstvolgende stappen.

Bij het bereiken van zijn doelen wordt de interne beleving van het goede bekrachtigd door het kind zelf. Zo leert het kind zichzelf te nemen en te waarderen zoals het is. Is deze wederzijdse afstemming niet aanwezig, dan verkrampt het kind of wordt het slordig in zijn motoriek. De motorische ontwikkeling wordt stroef en houterig, onrustig en overbewegelijk of aarzelend en behoedzaam. Motoriek is een ingangspoort waarbij het kind al bewegend ervaart dat het mag zijn zoals het is om te worden wat het is, maar nog niet kan zijn en het mag dit worden op zijn manier en in zijn tijd.

Het kind wordt een totaliteit, een geheel

Een kind kun je vergelijken met een ongeslepen diamant waaraan de diverse facetten nog bijgeschaafd en verfijnd dienen te worden. Het kinderfysiotherapeutisch bewegingsspel laat de diamant draaien en schept zo de gelegenheid en de kans telkens een ander facet in het kind te belichten. Het meest ongeslepen facet van de diamant wordt vaak het eerst zichtbaar en daaraan wordt gewerkt. Dit kunnen fysieke vermogens zijn alsook zintuiglijke, sensomotorische, cognitieve, sociaal-affectieve als persoonsgerichte bekwaamheden.

Afhankelijk van het vlak dat tijdens het spel naar het licht draait, krijg je ook een andere uitwerking of een ander effect op het kind. Door middel van de oefeningen en spelletjes laat je het kind zichzelf polijsten zonder dat hij er bewust mee bezig is maar juist plezier ervaart in het ontdekken van nieuwe varianten in het bewegen en handelen. Het spel en het leven worden weer als een uitdaging ervaren.

De mate waarin een diamant (het kind) schittert en uitblinkt, is de mate waarin het polijsten (groeiproces) is gerealiseerd.

Het kind als een geheel – een eenheid, richt zich op de lichamelijke bestaanswijze, nl. het zelf-kunnen uitvoeren of het niet kunnen uitvoeren van zijn handelen zodat via het bewegen zichtbaar wordt hoe iemand met zichzelf, zijn taak en zijn omgeving omgaat en hoe hij zichzelf daarbij ervaart. Het niet-kunnen uitvoeren zijn slechts signalen. Wat we moeten vinden, is het werkelijke beeld van het kind. Als we daar zicht op krijgen, kunnen we gericht helpen!

Recente kinderfysiotherapie beklemtoont op die manier de samenhang in motorische vaardigheden (doen en handelen), motorische planning (gedachten, denkwijzen en leerstrategieën) en motorische competentie (gevoelens en emoties over het handelen) en zien deze telkens in relatie tot de situatie en de doelen van het kind.

Het kind vormt al vroeg zijn eigen handelings-, denk- en gevoelspatronen waarbij het van minder groot belang is hoe het verstoorde patroon zich precies heeft ontwikkeld. Belangrijk is te achterhalen hoe het doen, de achterliggende gedachten en gevoelens van dit doen, zich verhouden tot de huidige situatie waarin het kind verkeert en welke factoren het patroon in stand houden. Het gaat er in de therapie om de onrijpe, onlogische, geëmotionaliseerde en irrationele bewegingsvoorstellingen vast te stellen en om te zetten in een meer bij de werkelijk- heid en logica passende handelings- en denkwijze. Beïnvloeding op één van de gebieden leidt als het goed is tot beweging in het ontstane patroon vanwege juist de samenhang tussen doen, denken en voelen.

Vanwege het hiërarchische karakter van het niveau van handelen, zullen de aangeleerde vaardigheden veel makkelijker beklijven als er op een hoger niveau meer balans en congruentie ontstaat, en vindt er op onbewust niveau integratie plaats. In de praktijk blijkt ook dat men er goed aan doet om aan meerdere touwtjes tegelijk te trekken om verandering te bewerkstelligen.

Aanmelden

wilt u een oriënterend gesprek of direct aanmelden?

Maak een afspraak

Volg ons op Facebook